skip to Main Content

Hoe zijn Dick en jij bij de vereniging terecht gekomen?

“In 1989 werd Dick gelaryngectomeerd. Hij heeft bijna drie maanden in het ziekenhuis gelegen. Na vier dagen knalden de hechtingen, met spoed werd hij opnieuw geopereerd. Hij kreeg de ene ontsteking na de andere, had last van fistels. Uiteindelijk kwam Dick thuis met sondevoeding, maar na een tijdje ging het beter, kon hij weer eten. In het ziekenhuis had hij een voorlichter aan zijn bed gehad. Daar was ik niet bij, ik werkte in de zorg voor verstandelijk en meervoudig gehandicapten. Dick moest toen nog niets hebben van een patiëntenvereniging. Toch stelde hij later zelf voor eens naar een Landelijke Ontmoetingsdag te gaan. Daar hebben we veel mensen ontmoet en van het een kwam het ander. Dick werd voorzitter van Kring Midden-Nederland. Hij was technisch directeur geweest en kon besturen. Hij heeft ook als voorlichter in het ziekenhuis gewerkt.”

En dat zwemmen, hoe zit het daarmee?

“Dick was helemaal niet zo’n zwemmer. We hadden een boot en een eiland op de Vinkeveense plas, maar zwemmen vond hij meestal te koud. Toen hij gelaryngectomeerd was, kwam zijn doorzettingsvermogen om de hoek kijken, zo van: ‘Ik kan niet meer zwemmen? Natuurlijk kan ik zwemmen!’ Eerst hielp Dick Arie Pannekoek met de zwemclub. Arie stopte en Dick nam de zwemclub in Amersfoort van hem over. Toen Dick opnieuw ziek werd, heb ik samen met Seine Ardesch in november 2005 het zwemmen opgepakt. In diezelfde tijd werd ik ook gebeld om mee te werken in de nieuwe Commissie Bewegen en Sport. We hebben protocollen opgesteld voor het zwembad, de larkelinstructeurs en de zwemmers zelf.”

Wat doe jij als larkelinstructeur?

“Elke derde zaterdag van de maand, behalve in juli en augustus, komen er zo’n vijftien mensen zwemmen. Nieuwe zwemmers melden zich bij mij. De eerste keer is vaak een emotionele gebeurtenis. Bijna iedereen, zwemmers en partners, pinken een traantje weg als ze voor het eerst in het water liggen. De nieuwe larkel, de oude wordt niet meer gemaakt, heeft voor veel gedoe gezorgd. Hij is stugger en het mondstuk is groter. De meesten gebruiken nu wel de nieuwe larkel, maar er zijn een paar mensen die er echt niet mee kunnen zwemmen. Ze krijgen het benauwd. Wat nog wel eens wil lukken, is het langzaam opbouwen, thuis oefenen, ook met het mondstuk in je mond onder de douche gaan. Sommigen liggen de eerste keren zo gespannen in het water. Maar ik sta aan de rand van het zwembad en houd ze goed in de gaten. Vaak kan ik met ‘rustig maar, het gaat goed’ de rust terugbrengen. Zwemmen moet een ontspannende bezigheid zijn. Natuurlijk is het ook goed voor je spieren.”

Wat motiveert je om met dit werk door te gaan?

“Het doorzettingsvermogen van deze mensen vind ik bewonderenswaardig. Niet bij de pakken neer gaan zitten, maar van het leven pakken wat je pakken kan. Mijn man Dick haalde ik op uit het ziekenhuis, voor een dagje, met voedingssonde en al, en wat denk je? Hij wilde gelijk ‘even naar Vinkeveen, naar de boot’. Hij startte de boot en we gingen op weg naar het eiland. Vrienden van ons zagen de boot aankomen en riepen naar elkaar ‘het is de boot van Dick en Marijke, maar wie kan daar nou op zitten’. Dick pakte het leven weer op. Op de zwemclub zie je dat ook, het zijn kanjers allemaal. Nu ik instructeur ben, zit ik niet meer boven, bij de partners van de zwemmers die toekijken en ondertussen heel wat bespreken. Dat is zo goed, volgens mij werkt het nog beter dan een kringbijeenkomst. Het is een fijne club mensen, waar ik graag bij wil blijven horen.”

Je bent verpleegkundige, dat helpt vast ook wel een beetje?

Marijke schatert het uit en roept: “Zeker weten! Ik ben gewoon A-verpleegkundige. Ik wist op mijn vijfde al dat ik de verpleging in wilde. Mijn moeder was veel ziek, ik was de oudste van zes kinderen en zorgde al gauw voor iedereen. Toen Dick en ik in 1967 trouwden, werkte ik in het Onze Lieve Vrouwe Gasthuis. Daar ben ik mee gestopt omdat ik nog geen rijbewijs had en het openbaar vervoer me ’s morgens niet op tijd naar het ziekenhuis kon brengen en ook niet terug naar Nieuwkoop kon na een avonddienst. We wilden graag kinderen, dus aanvankelijk bleef ik thuis, maar er kwamen geen kinderen. Ik zag een advertentie voor een hoofd van een bedzaal, bij Ursula, voor verstandelijk gehandicapten. Allemaal kasplantjes op zo’n zaal, ik kwam er kapot van thuis, ik dacht dit doe ik niet. Maar ik deed het wel en ontdekte hoe mooi dat werk is. Je gaat zien dat ze je herkennen, aan de kleine bewegingen die ze maken. Of ze beginnen te lachen als ze je horen lopen. Zes jaar ben ik hoofd geweest, maar dat werd me te zwaar. Ik ging als vervanger werken op de polikliniek en heb vele jaren tandheelkunde gedaan voor verstandelijk gehandicapten. Daar kreeg ik enorme spierballen van, door al dat vasthouden van patiënten.”

Wat voor stel waren Dick en jij?

“We waren allebei heel zelfstandig. Dick was veel van huis voor zijn werk. Na zijn operatie heeft hij nog een jaar doorgewerkt, maar het ging niet. Hij kon twee dagen werken, maar ze rekenden op een hele werkweek, dat hij gewoon weer alles deed. Dat werkte natuurlijk niet. Dus hij kwam thuis te zitten. Op mijn eerste vrije dag, altijd op woensdag, vroeg hij ‘en Marijke, wat gaan we doen?’ En ik zei: ‘niks ervan, het is mijn vrije dag, niet elke woensdag is voor jou.’ Dat begreep Dick ook wel en we hebben natuurlijk samen heel veel leuke dingen gedaan. Ik heb bijna dertig jaar beschikbaarheidsdienst gedraaid, twee keer in de maand een week dag- en nachtdienst. Ik werkte de hele dag en van half zes ’s avonds tot half negen ’s morgens had ik oproepdienst. Dick hoefde dan voor mij niet thuis te blijven, hij ging naar de boot als hij daar zin in had. Ik weet nog goed dat hij thuis kwam en zei ‘ik heb het schip gezien dat ik als jongen van veertien al wilde hebben.’ Wij erheen, het was een kotter, een echte mannenboot. ‘Vooruit dan maar,’ zei ik. Elke winter gingen we drie weken naar Lanzarote. Op de verjaardag van Dick, 30 januari, waren we daar altijd. Op vakantie in 2005 werd hij er ziek, hij heeft wel tien dagen in het ziekenhuis gelegen. Toen we terugkwamen van die vakantie vroeg mijn baas of ik tot oktober, of liever nog tot januari wilde blijven werken. Ik zou met de VUT gaan in oktober en had nog zoveel dagen dat ik er per 1 juni uit kon. Ik heb nee gezegd, ik voelde dat het niet goed zat met Dick.”

Hoe gaat het nu met je?

“Het gaat goed met me. Die eerste tijd was erg zwaar. Dick is op onze negenendertigste trouwdag gecremeerd. Ik was net zestig geworden. Het viel niet mee. Mijn vrijwilligerswerk ben ik wel gewoon blijven doen. Via vrienden heb ik later Jean ontmoet. Het klikte meteen. We blijven voorlopig apart wonen, hij in Weert en ik in Nieuwkoop. Maar we genieten van elkaar en onze tijd samen.”

*Een larkel is een canule waarmee mensen die via een halsstoma ademhalen, kunnen zwemmen.

Marijke Schogt

Back To Top
NieuwsbriefMis geen update, schrijf je in voor de nieuwsbrief